Terug in de tijd met een echte Sjoester
Wel eens van een sjoester gehoord? Lowie Lamers is nu 91 en van beroep jarenlang schoenmaker geweest. Of sjoester zoals ze dat toen noemden.
Sjoester Lowie
Lowie werd op 27 oktober 1913 geboren in Wehl. Zijn vader was bakker en had een café, boerderij, winkel en kolenhandel. Zes van zijn broers werden ook bakker. Lowie koos een ander vak. 'Je kunt niet allemaal bakker worden en het is bovendien een zwaar beroep. Een boerderij, winkel, café of kolenhandel was niks voor mij. Eigenlijk wilde ik timmerman worden, maar op 14 jarige leeftijd kwam ik terecht bij de plaatselijke schoenmaker, een goede kennis.' Achtereenvolgens werkte hij bij schoenmakerijen in Beek, Didam en Zevenaar tot hij in 1953 moest stoppen vanwege het teruglopende werk. 'Ik ben als leerling begonnen en heb zelf veel jongens opgeleid. Aan het schoenmakersvak heb ik goede herinneringen. Handwerk vond ik mooi werk. Maar er is veel veranderd. Schoenmakers van nu hebben het gemak, alles gaat automatisch.'
Kant en klaar
In de beginjaren was er geen lijm en werd er weinig met spijkers of pennen gewerkt. Pekdraad diende als schoenmakersgaren waarmee de schoenen werden gerepareerd. Lowie heeft het pekdraad nog zelf gemaakt van hennep, varkensharen en pek. Verder werd er gebruik gemaakt van een mes, hamer, nijptang, klinkvoet, gaatjestang en knopentang. Later kwamen daar ook machines bij voor stikken, pennen, aflappen, schuren en uitpoetsen. Eerst trapversies en daarna op elektriciteit. Leer kwam van de grossier. Rundleer voor stevige schoenen, kalfsleer voor elegante schoenen en het zachte chroomleer voor gevoelige voeten. Er zijn nu niet alleen meer en betere machines, ook worden Ðin tegenstelling tot vroeger- materialen kant en klaar aangeleverd.
Sleutels en rubberen zolen
In verhouding waren er vroeger veel meer schoenmakers. Lowie: 'Relatief kleine plaatsen telden wel 3 tot 5 zaken.' Inkomsten kwamen uit het schoenherstellen zelf. Schoenpoets, veters en schoenlepels werden wel verkocht -en het kwam regelmatig voor dat de schoenmaker ook een schoenwinkel had- maar zoveel aanvullende diensten en producten als vandaag de dag waren er niet. 'Voor een sleutel moest je toch echt naar de smid of een slotenmaker.' In vergelijking met vroeger kwamen er ook meer mensen naar de schoenmaker. 'Voor de oorlog deed men 3 à 4 jaar met een paar schoenen. Nu kopen mensen eerder nieuwe schoenen. Bovendien zijn reparaties nu duurder.' Ook het verschil in schoenen speelt een rol. Tegenwoordig hebben bijna alle schoenen rubber zolen. Als deze kapot zijn moet de complete zool worden vervangen en dat kost je meer dan het gedeeltelijk vervangen van de leren zool van vroeger. 'Voor de oorlog kostte een reparatie aan zolen en hakken 1 gulden 90 voor herenschoenen en 1 gulden 75 voor damesschoenen.' Lowie kan zich één van de eerste schoenen met rubberen zolen nog goed herinneren. 'Dat waren Robinson schoenen uit Nijmegen. Ze kostten 4 gulden 50 en je kreeg maar liefst 2 jaar garantie.'
Meest bijgebleven
'Pekdraad maken vond ik leuk werk. Alleen je handen gebruiken. Ook heb ik complete schoenen gemaakt. Daar was je dan 3 dagen mee bezig: de maat nemen, patronen maken, leer snijden en de schoenen in elkaar zetten. Mensen met 'probleemvoeten' kwamen hiervoor naar de schoenmaker. Zelf had ik ook bredere schoenen nodig door mijn zes tenen aan beide voeten'. Iets anders wat me altijd is bijgebleven is het repareren van kapotte zolen voor mijn zwager. Het was oorlog en er was er niks te krijgen. Via een garage heb ik een autoband weten te bemachtigen en daar nieuwe zolen van gemaakt. Ik heb er een hele dag op gezeten, maar het eindresultaat mocht er wezen. Hij heeft er trouwens nog mooi lang op gelopen.'
Link
Het Nederlands Leder- en Schoenenmuseum
Maart 2005



